Ola Allemaal,

bij deze nog een bericht van ons uit Potosi. Volgens goed Boliviaans gebruik wordt er gestaakt in het openbaar vervoer, hierdoor zitten we dus vast in Potosi. Morgen hopen we onze bus naar Sucre te kunnen pakken.

Vanochtend, 19 juli, hebben we de "zilvermijnen" van Potosi bezocht. Vroeger werd hier veel zilver gewonnen. Vanaf 1545 is door de Spanjaarden met behulp van slavenarbeid veel zilver uit de mijnen gehaald. De berg is hierdoor met 300 meter verlaagd. Tegenwoordig wordt hier alleen nog zink gewonnen. Op dit moment zijn ongeveer 5.000 mijnwerkers in de mijnen werkzaam. Enkele jaren geleden, toen de kwaliteit van het zink beter was, werkten 15.000 mannen in de mijnen. Vanaf 14/15 jaar starten de mannen met het werk in de mijn. Maximaal houden ze dit 30 jaar vol. Het startsalaris voor een assistent mijner is 50/60 Bolivianos per dag. Minimumloon in Bolivia is op dit moment 22 Bs. Een ervaren mijnwerker kan, afhankelijk van de kwaliteit van het zink, wel 200 Bs per dag verdienen. De mijnen worden binnen cooperaties geexploiteerd, iedere mijnwerker heeft hierin zijn deel.

Om 9 uur vanaochten vertrokken we vanuit het centrum van Potosi met onze gids, Peka. Hij heeft in het verleden een jaar in de mijnen gewerkt. Allereerst kregen we allemaal een plastic gele broek, jas, rubberlaarzen en uiteraard een helm. Vanuit hier gingen we naar de Miners' Market. Hier worden giften voor de mijnwerkers verkocht. Wij hebben Cocabladeren, een sapje, alcohol en sigaretten gekocht. Voor 25 Bs was het ook nog mogelijk dynamiet te kopen. Ter plekke hebben we de alcohol geproeft, deze smaakte echt nergens naar. Dit bestaat namelijk voor 96% uit pure alcohol. Met de bus reden we vervolgens naar de mijnen. Vanuit hier hadden we een geweldig uitzicht op Potosi. Ook gaf Peka hier aan dat we de giften moesten bewaren voor de mijnwerkers in de mijn. Niet voor de cocakauwers erbuiten. Uiteraard kregen we ook een lamp op onze helm voor in de mijn.

Rond 10 uur gingen we de mijn binnen. In het begin is het hier nog vooral koud en vochtig, het zuurstofniveau is hier ook wel goed. Wel kun je hier echt niet rechtop staan. Na ook enkele nauwe doorgangen te hebben overwonnen kwamen we aan bij Tio. Vroeger werd Tio door de slavenarbeiders gezien als de Spanjaard in de mijn. De Spanjaarden kwamen hier zelf uiteraard niet. Toen heette hij ook nog Dios. Nu wordt Tio gezien als beschermer van de mijnwerkers. Tio betekent letterlijk oom in het Spaans, zijn bijnaam is ook wel "Uncle George". Iedere vrijdag houden de mijnwerkers een ritueel bij hun Tio (in de mijnen zijn er velen). Allereerst geven ze Tio en de Pacha Mamma (moeder aarde) alcohol, daarna drinken ze dit zelf ook. Het is ook niet verwonderlijk dat op vrijdag de meeste ongelukken in de mijn gebeuren. Vervolgens geven ze Tio een sigaret, die van ons werd geheel opgerookt en dat brengt geluk. Als laatste offeren ze aan Tio de cocabladeren. Ook vind je bij Tio het skelet van een jonge lama. Dit doen de mijnwerkers omdat ze geloven dat Tio anders zich voedt met de mijnwerkers.

 Vanaf "Uncle George" gingen we dieper de mijn in. Eerst wordt het droger en warmer. Hier is het ook erg stoffig en is het zuurstofniveau behoorlijk laag. Een doek voor je mond is hier geen overbodige luxe. Nog dieper in de mijn wordt het nog warmer maar is het wel weer vochtig. Mede door de aanvoer van zuurstof van buiten is het zuurstofniveau hier beter dan in het midden. Op het diepste punt in de mijn, 2000 meter, konden we echt goed zien hoe het werk er in de mijn aan toegaat. Grote stukken rots worden door middel van karretjes getrokken door mijnwerkers vervoerd naar boven. Omdat een karretje ontspoord was mocht Job helpen deze weer op de rails te zetten. Dit was echt uniek om mee te maken, wel merk je dan pas echt hoe warm het is in de mijn. Op de terugweg moesten we nog regelmatig wachten op passerende karretjes. Op de terugweg liet de gids ons ook het zink zien. Een klein stukje hebben we mee naar buiten genomen. Uiteindelijk zijn we 3 uur in de mijn geweest waar 2 uur normaal is. Dit kwam met name door het grote aantal mijnwerkers en volle karretjes in de mijn. Hierdoor hebben we echt goed kunnen zien dat de arbeidsomstandigheden in deze mijnen dramatisch slecht zijn. Veiligheidsmaatregelen zijn er niet, het is erg stoffig en warm en arbotechnisch zou dit in Nederland in de verste verte niet kunnen. Hierdoor hebben vele mijnwerkers last van hun gezondheid, vooral de longen worden aangetast. Ook vind je in de warmere delen van de mijn asbest, was zeker de gezondheid niet zal verbeteren. Buiten gekomen waren we vooral toe aan een slok water om het stof weg te spoelen. Daarna heeft Marloes nog een mooie blauwe steen gekocht.

Nadat Mario, de chauffeur, ons netjes had afgeleverd in Potosi hebben we heerlijk een almuerzo gegeten. Dit is een warme maaltijd in de middag met diverse gangen voor een voordelige prijs. Onze bestond uit 4 gangen, eerst kinwa (een soort rijst) met tomatensaus, daarna een goed gevulde soep, gevolgd door een hoofdgerecht naar keuze. Marloes had iets met veel uien besteld, en dus daarom maar met Job gewisseld. Na hadden we gestoofde appel met kaneel. Voor 15 Bs per persoon heb je echt een uitgebreide en lekkere maaltijd. De prijs/kwaliteitsverhouding met a la carte eten is hier behoorlijk groot. Voor een minder vullend hoofdgerecht betaal je al snel 40 Bs. De almuerzo houden we er dus in.

Hopelijk zitten we morgen in Sucre. Liefs,

Marloes en Job

Reacties